Get Adobe Flash player

'Het lied van Elia' - Stef Bos


Elia

Over de profeet Elia, de wonderdoener en de vurige bestrijder van Baäl, kun je boeiende verhalen lezen in 1 Koningen 17-21 en 2 Koningen 1-2.


Jahwe is God

De naam Elia betekent: 'Jahwe is God'. Dit tekent de profeet helemaal. Hij is de man die Jahwe als zijn enige Heer erkent. De HEER is zijn enige koning. Heel zijn leven stemt hij op Hem af en hij staat helemaal aan zijn kant. Alleen Jahwe, de God van Israël, is een levende God. Alleen op Hem kan men vertrouwen. Hij trekt met zijn Volk mee en helpt het in zijn nood. Alle andere goden zijn menselijke maaksels. Bouwen op dergelijke goden, op natuurkrachten, op vruchtbaarheidsriten of op menselijke machten, is bouwen op niets. Elia wijst telkens meer naar de kern, naar de overgave aan Jahwe, van wie alleen heil te verwachten is.


Achab en Izebel

Elia trad op als profeet van de HEER in het Noordrijk, tijdens de regeringsperiode van koning Achab (874-853vC), die helemaal onder de invloed stond van zijn vrouw Izebel, de koningsdochter uit Tyrus. Onder de sterke druk van zijn vrouw voert Achab de verering van de Fenicische god Baäl in, waardoor het Jahwisme geheel dreigt te verdwijnen.

'Als een vuur' in dienst van de HEER bindt Elia hiertegen de strijd aan. Niets kan hem tegenhouden. Hij durft de koning en de publieke opinie trotseren. Daar kunnen we van leren. Want de meesten van ons zijn bang van wat de mensen gaan zeggen. Wij zijn mensen van de 'natte vinger': eerst voelen vanwaar de wind komt, luisteren naar wat 'men' zegt en denkt en dan gewoon meepraten. Tegen de stroom oproeien durven we niet. Elia durft dit wel. Hij gaat naar Achab en kondigt een periode van droogte en van onvruchtbaarheid aan: 'Zowaar de HEER leeft, de God van Israël in wiens dienst ik sta: er zal de volgende jaren geen dauw of regen komen tenzij op mijn woord' (1 Kon. 17,1). Zo wordt reeds in het eerste vers van het Elia-verhaal de levende Jahwe tegenover de Kanaänitische vruchtbaar-heidsgod Baäl geplaatst.

Wonderen

Op bevel van de HEER verbergt Elia zich daarna in het dal van de Kerit, buiten het machtsgebied van Achab. Daarna stuurt de HEER hem naar Sarefat, dat onder Sidon valt. Daar treedt hij op als wonderdoener, in naam van de HEER, wiens bevelen hij trouw uitvoert en die hij in zijn gebed aanroept. Zo zorgt hij ervoor dat in het huis van de weduwe van Sarefat de pot met meel en de kruik met olie niet leeg geraken totdat de droogte voorbij is en de HEER het weer zal laten regenen. Enige tijd later wekt hij ook haar kind opnieuw tot leven, nadat hij eerst tot de HEER gebeden heeft. Met deze wonderverhalen wil de auteur de lezer duidelijk maken dat Elia echt een man van God is en dat de HEER die hij verkondigt echt leeft en echt helpt.

Op de Karmel

Na drie jaar krijgt Elia van de HEER de opdracht om opnieuw naar koning Achab te gaan en hem te verkondigen dat de HEER het weer op aarde zal laten regenen. Achab verwijt Elia dat hij Israël in het ongeluk stort, maar deze verwerpt de beschuldiging door te zeggen dat Achab zelf hiervan de schuld is, omdat hij de geboden van de HEER overtreedt en de Baäls naloopt. Elia stelt Achab dan voor de goden zelf het pleit te laten beslechten. Dit gebeurt op de berg Karmel, waar Elia voor de ogen van heel het samen-gestroomde volk de vierhonderdvijftig profeten van Baäl uitdaagt. Er wordt overeengekomen twee stieren klaar te maken en op hout te leggen, maar het vuur niet zelf aan te steken. De profeten van Baäl en Elia zullen dan ieder hun eigen god aanroepen en de god die door vuur antwoordt is de ware God. Zogezegd, zo gedaan. Elia wint glansrijk. Het vuur uit de hemel, dat hij van de HEER afsmeekt, verteert zijn offer, terwijl de profeten van Baäl geen gehoor vonden, hoe hard zij ook roepen en hoezeer zij zich ook tot bloedens toe kerven met zwaarden en speren om hun gebed kracht bij te zetten. Zo maakt Elia duidelijk dat Jahwe de levende God is die moet gediend worden in plaats van Baäl.

Als het daarna ook nog begint te stortregenen, waardoor een einde komt aan de lange periode van droogte, lijkt de triomf van Elia volledig. We zeggen wel: 'lijkt', want wie niet overtuigd is, is koningin Izebel. Wanneer Achab haar meedeelt wat Elia allemaal gedaan heeft en hoe hij alle profeten van Baäl met het zwaard heeft laten doden, bedreigt zij hem met de dood. Binnen de vierentwintig uur zal ook Elia hetzelfde lot ondergaan als de profeten van Baäl.

Op de vlucht

Als Elia dit hoort, vlucht hij weg om zijn leven in veiligheid te stellen. Hij vlucht naar Berseba in Juda, waar hij zijn dienaar achterlaat. Alleen trekt hij daarna de woestijn in. Na een dag komt hij bij een bremstruik. De bremstruik is symbool van eenzaamheid en dood, in tegenstelling tot de wijnstok en de vijgenboom. Zitten onder de wijnstok is teken van leven en vruchtbaarheid. Zitten onder de bremstruik daarentegen wijst op eenzaamheid en dood. Elia zit onder de bremstruik. Hij geeft het op. Hij kan niet meer. Hij is moedeloos en teleurgesteld, omdat het allemaal toch niets uithaalt. Het liefst van alles zou hij dood willen zijn en het lot delen van zijn voorvaders die allen gestorven zijn. Zijn gebed is dan ook een diepe klacht; 'Het wordt mij teveel, HEER, laat mij sterven' (1 Kon. 19,4). Hoe meer je zelf verknocht bent aan de HEER, hoe moeilijker je kunt verwerken dat anderen hiervoor de schouders ophalen of dit geloof bestrijden. Wat Elia overkomt is pure depressie. Ook de sterkste persoonlijkheden kunnen hierin terecht komen. Jeremia heeft het meegemaakt, ook Job en Paulus. En het gebeurt zelfs met Jezus, die in de hof van olijven water en bloed zweet en die zijn Vader smeekt om de lijdenskelk van hem weg te nemen. Elia is dus geen uitzondering. Onder de bremstruik valt Elia in slaap. Ook de slaap, gezien als duisternis, bewegingloosheid en eenzaamheid, is symbool van de dood (zie bv. Psalm 13,4, waar sprake is van 'doodsslaap').

In de Bijbel is de slaap echter ook het gebied van de dromen en de visioenen, waarin God tot de mens spreekt. Het is deze laatste betekenis die nu naar voren treedt. De doodsslaap van Elia wordt veranderd in levensslaap, in verrijzenis en opstanding. Want terwijl Elia slaapt, gebeurt er iets. Iemand stoot hem aan. Deze iemand blijkt een engel van de HEER te zijn. Namens de HEER zegt deze aan Elia dat hij moet opstaan en eten. Aan zijn hoofdeinde ligt een koek op gloeiende stenen gebakken en er staat een kruik met water bij. Elia eet en drinkt, maar valt opnieuw in slaap. Zo moe en moedeloos is hij. Maar opnieuw stoot de engel van de HEER hem aan. De herhaling is een stijlfiguur, die hier de intense zorg en aandacht van de HEER uitdrukt. Elia moet overeind komen en eten, zegt de engel, want hij heeft een verre reis voor de boeg. De teleurstelling en de moeilijkheden van Elia worden door de engel dus niet weggepraat of weggenomen, maar Elia mag niet bij de pakken gaan neerzitten. Hij moet verder. Wie het opgeeft, komt nergens.

Naar de Horeb

Elia laat zich door de engel overtuigen. Hij eet en hij drinkt. Gesterkt door dit voedsel loopt hij daarna veertig dagen en veertig nachten tot hij aankomt bij de berg van God, de Horeb. Elia meende op de vlucht te zijn uit ontmoediging. Maar zonder dat hij het wist was hij onderweg naar de berg van God, naar een ontmoeting met de HEER. Zo gaat het nogal eens in een mensenleven. Periodes waarin je het gevoel hebt door God in de steek te worden gelaten, blijken achteraf periodes te zijn geweest die je dichter bij God hebben gebracht. Je kunt soms de indruk hebben dat het met je leven bergaf gaat, terwijl je in feite omhoog gaat. Vreemd is dat, maar waar.

Elia loopt 'veertig dagen en veertig nachten'. 'Veertig' is in de Bijbel het getal van de volheid, het getal ook van de woestijntocht die Israël uit het slavenland Egypte naar het beloofde land voerde. 'Veertig' wijst op helemaal doormaken, tot de uiteindelijke voltooiing en bekroning. 'Horeb' is een andere naam voor de berg Sinaï. Daar is het oorspronkelijk begonnen. Daar sloot de HEER in een grootse en plechtige verschijning het verbond met het volk Israël. Als Elia op de Horeb terechtkomt betekent dit dat hij terug moet gaan naar de plaats van de eerste inspiratie, naar de plaats van de oorspronkelijke ontmoeting tussen God en zijn volk.

In een zachte bries

Op de Horeb ontmoet Elia de HEER, voor wie hij zich met al zijn krachten had ingezet. Hij ontmoet Hem niet in een storm, niet in een aardbeving, niet in een vuur. Aan Elia, die zo ijverig streed tegen het baälisme kan de HEER natuurlijk niet, zoals indertijd aan Mozes (zie Exodus 19), verschijnen met de stormattributen van Baäl, die niet alleen vereerd werd als de god van de vruchtbaarheid, maar ook als de god van de donder, van de bliksem en van de storm. Daarom verschijnt de HEER aan Elia niet op spectaculaire wijze met veel lawaai en gedonder, maar in 'het suizen van een zachte bries', d.w.z. in een verkwikkende stilte. Op die manier probeert de bijbelse auteur een onbeschrijflijke, want mystieke ervaring onder woorden te brengen, iets onzichtbaars, dat zich in het diepste van Elia's hart heeft afgespeeld. In de stilte van zijn hart ervaart Elia zijn God en treedt hij met Hem in contact. Biddend stort hij bij Hem zijn hart uit. Hij heeft zich met al zijn krachten ingezet voor de HEER, maar het heeft niets uitgehaald; de Israëlieten hebben het verbond van God met voeten getreden, zijn profeten gedood, zodat Elia alleen als profeet overblijft, maar ook hem staat men nu naar het leven. Het antwoord van de HEER is een duidelijke opdracht. Echt gebed mondt altijd uit in engagement. Elia moet opnieuw aan de slag. Hij moet, door de woestijn heen, terugkeren niet alleen naar Israël, maar ook naar Damascus, waardoor zijn werkterrein nog wordt uitgebreid. Uit deze ontmoeting met de HEER moet hij de kracht putten om krachtig en onverschrokken verder te werken en het jahwisme zelfs tot over de landsgrenzen van Israël heen te verkondigen.

In Damascus moet hij Hazaël zalven tot koning van Aram. Jehu moet hij zalven tot koning van Israël. En Elisa, de zoon van Safat, moet hij zalven tot zijn opvolger. Driemaal 'zalven'. Zalven betekent: iemand in intieme relatie met God brengen, hem doordringen met Gods geest en Gods kracht, kortom ervoor zorgen dat de geschiedenis weer vanuit God kan geschieden. Bovendien zegt de Heer aan Elia dat hij helemaal niet alleen is overgebleven, maar dat er in Israël een 'rest' is van niet minder dan zevenduizend man, die hun knie niet gebogen hebben voor Baäl. In zijn ontreddering had Elia het volk dus blijkbaar onderschat, want er zijn er nog velen die de HEER trouw gebleven zijn. Eigenlijk zou een echte gelovige nooit mogen denken dat hij alleen is.

Hemelvaart

Elia vertrekt dan uit Horeb en gaat opnieuw aan het werk. Hij roept Elisa weg vanachter de ploeg om hem te dienen en op te volgen. Hij wijst koning Achab terecht die, opnieuw op aanstoken van zijn vrouw Izebel, een zekere Nabot vals liet beschuldigen en ter dood brengen om nadien zijn wijngaard in bezit te nemen. Ook verwijt hij koning Achazja, de opvolger van Achab, dat hij voor zijn ziekte Baäl-Zebub raadpleegt in plaats van de God van Israël.

Een man als Elia kan natuurlijk geen gewone dood sterven. De Bijbel vertelt dat hij ten hemel werd opgenomen in een wagen van vuur, getrokken door paar­den van vuur. De vurige ijveraar van en voor de HEER wordt aldus opgenomen in het vuur van God zelf dat hem zo sterk bezielde.

Actualiteit

In het verhaal van Elia, vooral in zijn vlucht naar de berg Horeb, kunnen we iets van onszelf en van onze vermoeide generatie herkennen. Het is ook ons verhaal. De Bijbel lijkt op ons en wij lijken op de Bijbel. Zoals Elia staan ook wij, hoe dan ook, in dienst van de levende HEER. We proberen van alles. We ijveren voor wat goed is en rechtvaardig. Maar het slaat niet aan. De mensen halen er de schouders voor op. De jeugd gaat haar eigen weg. Egoïsme is troef. Huwelijken lopen spaak. Er zijn geen roepingen meer. Kerken lopen leeg. Het lijkt wel alsof we de laatste van de Mohikanen zijn. Onmacht en moedeloosheid overvallen ons. De fut is eruit. We zijn niet gek. Onze draagkracht is beperkt. We zijn maar mensen. Zoals Elia vluchten we weg. We verlaten de kerk op onze beurt en we staken onze inzet voor het evangelie.


Het verhaal van Elia wijst ons een andere weg. Als moedeloosheid ons overvalt, moeten we terug naar de bron, terug naar de plaats van onze eerste liefde, terug naar de wortels van onze oorspronkelijke Godservaring. Als we het ontmoedigd en moegestreden willen opgeven moeten we op weg en op zoek gaan naar de zachte en sprekende stilte van God. Daar, in het diepste van ons hart, in een ontmoeting met de onzichtbare en onbeschrijflijke God, zullen we geleidelijk aan weer onszelf worden en de vrede des harten terugvinden. Op de berg van zijn verkwikkende aanwezigheid zal God ons opnieuw de kracht schenken om ondanks alles toch door te zetten en vol te houden. God, die oneindig groter is dan ons pover mensenhart, zal ons opnieuw vervullen met zijn vuur en ons opnieuw enthousiast maken in zijn dienst. En wie weet, misschien zegt de HEER dan ook tot ons dat we niet alleen overschieten, maar dat ze ook vandaag nog velen zijn die Hem in hun hart trouw zijn gebleven. Zeg niet dat deze ommekeer in jouw leven niet mogelijk is, voordat je eerlijk hebt geprobeerd op zoek te gaan naar de levende God en naar zijn hoorbare en verkwikkende stilte.